Uitspraak op het gebied van bouwen

Op 15 augustus 2018 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) een goede uitspraak gedaan op het gebied van bouwen. De Afdeling heeft bevestigd dat de wat vreemde constructie dat iemand een bouwaanvraag kon indienen om iets bij een wildvreemde op een perceel te bouwen, niet zomaar meer kan.

Lange tijd was de vaste jurisprudentie van de Afdeling dat een aanvrager om een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk in beginsel verondersteld werd belanghebbende te zijn bij een beslissing op de door hem ingediende aanvraag. Alleen wanneer het aannemelijk werd gemaakt dat het bouwplan nimmer kan worden verwezenlijkt, was dit anders. Je hoefde dus geen eigenaar te zijn van de grond om een aanvraag voor een omgevingsvergunning bouwen in te dienen. Dit kwam omdat het volgens de Afdeling niet op voorhand is uitgesloten dat op enig moment van de omgevingsvergunning gebruik zal kunnen worden gemaakt.

Op 26 juli 2017 had de Afdeling al bepaald dat het criterium niet meer is dat aannemelijk moet zijn dat het bouwplan nimmer kan worden verwezenlijkt, maar dat aannemelijk moet worden gemaakt dat het bouwplan niet kan worden verwezenlijkt. Deze lijn is nu op 15 augustus bevestigd.

Op het eerste oog is er nauwelijks een verschil te vinden; eigenlijk is het woordje ‘nimmer’ vervangen door ‘niet’. Maar in plaats van de stelling dat een bouwplan nooit (nimmer) kan worden verwezenlijkt, hoef je als eigenaar nu ‘alleen nog maar’ te stellen dat de aanvrager het bouwplan niet mag realiseren. Waar in het verleden jarenlange civiele procedures tegen een verleende omgevingsvergunning gevoerd moesten worden, om zo te bewerkstelligen dat een bouwplan nooit gerealiseerd kon worden. Nu is het voldoende om geen toestemming te geven in de bestuursrechtelijke procedure.

Uitspraak 201706186/1/A1

Uitspraak 201603629/1/A1